maandag, april 22, 2024
Laatste:

    Terugblik

    Hoe het groeide…

     

    Het verlangen om met een voedselbos te starten, is een vrij recente ‘aandoening’. Het is trouwens ook niet altijd gemakkelijk om een geschikt terrein te bemachtigen voor een dergelijk project. De microbe om ‘met-de-natuur-mee’ te werken, was al heel lang aanwezig. Dit zaadje werd in  mijn kindertijd geplant. Het traditionele ‘spitten, hakken, spuiten…’ was niet aan ons besteed.  

    Wij willen met De Zoetenhof tonen dat de drempel naar een natuurlijke manier van planten kweken echt niet zo hoog is, we willen anderen motiveren om ook deze weg te bewandelen.

    Als kind ging ik vaak spelen op een boerderij bij een vriend. Kleine boerderijen met een grote lochting (moestuin), kleine akkers omzoomd door hagen en enkele dieren zoals een varken, een paar melkkoeien en kippen, waren nog algemeen verspreid.

    In de stallen woonden allerlei vogels zoals boerenzwaluwen, vleermuizen, roodstaart en kwikstaart. We maakten er een sport van om zo lang mogelijk de veldleeuwerik omhoog te zien klimmen tot je enkel nog een stip zag die dan als een steen naar beneden viel. We speelden in en rondom de stallen.

    De struiken en bomen vormden de beste plekjes om te klauteren en dienden als ultieme verstopplaats.  In de knotwilgen rondom de percelen zaten steenuiltjes te smullen van de kikkers die ze gevangen hadden in het veld.

    Hier in Vlaanderen is de tegenstelling tussen enerzijds natuur en anderzijds landbouw enorm groot. En in de loop van de jaren is dat alleen maar scherper gesteld. ‘Of ge zijt ne groenen of ge zijt ne boer.’ Dat is heel jammer. Dat is in de loop van de geschiedenis helemaal anders geweest.

    Ik ging vaak te voet van bij ons thuis met een kan om verse melk te halen. Er waren in onze straat verschillende kleine boerderijen met vaak oudere boeren waarvan sommigen nog alles met paard en kar deden.

    De kinderen gingen studeren en vele van deze hoevetjes zijn verloren gegaan of verbouwd tot heuse fermettes. De boerderijen die overbleven, werden mastodonten, meestal uit pure economische noodzaak. Percelen werden groter, natuurlijke omheiningen verdwenen. Vroeger werd het hout van deze voor de natuur zo belangrijke houtkanten gebruikt als hernieuwbare brandstof of in de grond gestoken als nieuwe weidepalen.

    Ook de hoogstammige appelbomen die je op vele boerderijen terugvond, hebben veel troeven. De kruin ontwikkelt zich boven je hoofd zodat je er gemakkelijk onderdoor kan. De bloesems zijn prachtig om naar te kijken, ze zijn heerlijk om aan te ruiken en met de vruchten kan je alle kanten uit.

    De liefde voor de natuur leerde ik van mijn vader. En dat gevoel heeft mij nooit meer losgelaten. Wandelend hoorden we de zanglijster met een andere lijster, soms 1000 meter verder, communiceren. We waren onder de indruk van hoe ingenieus een winterkoninkje zijn eigen nestkastje maakte. We bewonderden vogels die honderden meters haag van onder tot boven afschuimden op zoek naar voedsel, maar ondertussen beschut waren voor roofvogels, zoals de valk. Als kind nam ik tijdens een avondwandeling stiekem een glimwormpje mee om thuis naast mijn bed in een potje te zetten. Helaas heeft dit nachtlampje nooit licht gegeven ;-).

    Bij het opgroeien is mijn liefde voor de natuur alleen maar groter geworden. Ik ben naar de tuinbouwschool gegaan. Op school was deze studie gericht op klassieke land- en tuinbouw. Ik leerde dankzij gepassioneerde lesgevers veel bomen en heesters kennen. Mijn kennis vergrootte nadien door in aanraking te komen met heel wat mensen die met hart en ziel bezig waren. Ook door het lezen van boeken en artikels en door het bijwonen van voordrachten leerde ik veel bij. Het ging vaak om pioniers die het woord ‘voedselbos’ al heel lang in de mond namen en zich in permacultuur verdiepten. Ik denk aan Bert Dhondt (voedselbos Nokere), Martin Crawford (auteur boek, voedselbossen), Wout Van Eck (Ketelbroek)…  Ook tijdens de Velt Open tuindagen zijn er vaak inspirerende tuinen te bezoeken die heel dichtbij gelegen zijn.

    Op wandel door onze ecotuin…

    Onze kleine verkavelingstuin (De kleine Zoetenhof), die ook al een aantal keer te bezoeken was tijdens de VELT-ecotuindagen, is in de loop van 20 jaar een waardevol biotoopje vol leven geworden. De bomen met hun herfstverkleuring in het najaar, silhouetten in de winter, schaduw in de zomer: geen enkele zonnewering kan daar tegen op! We zorgden voor een houtwal en het aantrekken van natuurlijke vijanden. We kozen planten die een bron van nectar en stuifmeel zijn voor bijen en hommels en hadden aandacht voor schuil- en nestplaatsen voor vogels. In de poel komen vogels zich wassen en water drinken. Overdag fladderen allerlei vlinders rond en bij valavond komen vleermuizen rondcirkelen in en rond de bomen. Het is eigenlijk een soort kringlooptuin: via compostering en bodembedekking gaat niets verloren. Dit komt niet alleen alle zichtbare bodemleven ten goede, maar ook het onzichtbare. Het krioelt van leven onder en tussen de mulch en al dat leven bundelt zijn krachten voor het welzijn van de planten. Eigenlijk is onze privétuin een voedselbos in het klein.

    Foto’s van ons verkavelingstuintje vind je door te klikken op deze link: https://photos.app.goo.gl/jHNpsymGBDVbfjpy5

    In het grote bos is het donker, of toch niet…

    Eigenlijk is het woord ‘bos’ wat verwarrend, want een bos is inderdaad vrij donker. De termen ‘bosrand’ of ‘boomgaard met onderbegroeiing’ geven het principe van gelaagdheid in de beplanting beter weer. Tuinen en parken met gelaagdheid zijn voor mij een bron van inspiratie geweest. Vanuit bostuinen en natuurlijke tuinen is het maar een kleine stap naar een voedselbos.

    Mijn aantrekkingskracht tot het systeem van een voedselbos is groot, enerzijds door het vergroten van de biodiversiteit en anderzijds ook door het voortbrengen van voedsel. Dat is fantastisch! Het is een win-winsituatie voor mens en dier.

    Een bos dat eetbaar is, dat ook nog vol bloemen en planten staat, en waar je kan van oogsten. Dat is eigenlijk helemaal mijn biotoop.

    Als ik nu het prille voedselbos De Zoetenhof vergelijk met het stadium van vandaag, twee jaar later, dan zie ik dat het aantal dieren en insecten al enorm is toegenomen. Zo zien we de bonte specht de jonge bomen afschuimen, vleermuizen acrobatische tuimelingen maken tussen de jonge boomkruinen en zwaluwen rondcirkelen. Op de brandnetels vinden we 40 tot 50 rupsen van de dagpauwoog terug! Bijen komen drinken in de poel. Koninginnenpage, kleine vos, Atalanta, solitaire bijen, egels, grote en kleine sprinkhanen kun je geregeld waarnemen. Roodborst, winterkoning, egel en bruine kikker scharrelen hier hun kost bij elkaar.

    Het klinkt idyllisch, maar de natuur in het algemeen heeft het zwaar te verduren: de versnippering van het natuurlandschap, klimaatopwarming, waterverontreiniging. Mijn droom en die van veel voedselbosbeheerders is om op grotere schaal het systeem van gelaagdheid, ingang te laten vinden in de landbouw.

    Gelukkig zijn er vele kleine biotopen die zorgen voor meer natuur en diversiteit in onze omgeving.  Met De Zoetenhof ervaren we met zijn allen dat ecologisch tuinieren echt niet moeilijk is. We zien dat een natuurtuin of voedselbos zo waardevol is voor mens en natuur. Fantastisch toch om op natuurexpeditie te kunnen gaan in je eigen achtertuin!

    Ieder voedselbos is anders en je kan nooit kopiëren. Dat maakt het zo boeiend!

    Natuurlijk imkeren? Natuurlijk!

    In De Zoetenhof doen Eric en Griet aan natuurlijk imkeren. De zomerhoning blijft zoveel mogelijk in de kast en dient als wintervoorraad voor de bijen zelf. Hieronder volgen enkele interessante weetjes over honingbijen.

    Honingbijen zijn, naast de solitaire bijen, wilde bijen, een van de vele soorten bijen en insecten die noodzakelijk zijn voor de bestuiving van groenten en fruit. Het hoeft niet gezegd hoe levensbelangrijk het is om deze nuttige insecten te koesteren.

    Honingbijen leven in een groep, die we een volk noemen.  Een volk bestaat uit een koningin, werksters en darren. De koningin is de grootste bij (18-22mm) en legt alle eitjes. De werksters zijn de kleinste bijen (12-15mm), zijn heel talrijk (10.000 tot 80.000) en vrouwelijk en voeren alle taken uit.  De darren ten slotte zijn iets groter dan de werksters (15-17mm), zijn mannelijk en hebben als levensdoel een andere koningin bevruchten. 

    De koningin zorgt voor het nageslacht en legt 1500 tot 2000 eitjes per dag! Zij kiest ook of het eitje bevrucht wordt of niet. Uit een bevrucht eitje komt een werkster, uit een onbevrucht een dar. De werksters zijn de vlijtigste bijen in het volk en hebben verschillende en opeenvolgende taken. Na de geboorte zorgen zij eerst voor het poetsen van de cellen, het voeden van de larven en darren, het opbouwen van de cellen met was uit hun wasklieren en het bewaken van de ingang.  Pas na 3 weken beginnen ze met buitenvluchten om stuifmeel, nectar en water naar het volk te brengen. Ze maken bovendien honing en honingbrood, houden de kast warm (35°), voeden en verzorgen de koningin. De darren worden tijdens de lente-zomer geboren en zorgen voor de bevruchting van andere koninginnen. Zij vliegen tientallen meters hoog en bevruchten een koningin in de lucht. Eenmaal de paring volbracht is, sterft de dar. De overblijvende darren worden in de herfst door de werksters uit de kast verjaagd of gedood, omdat darren na de zomer geen functie meer hebben. 

    De levensverwachting is voor elke soort bijen verschillend. [av3] De koningin wordt geboren na 16 dagen (stadia: 3 dagen ei, daarna tot dag 9 larve, vanaf dag 10 verpopping tot ontpopping op dag 16). Een koningin kan tot 5 jaar oud worden. De werksters worden geboren na 21 dagen (stadia: 3 dagen ei, daarna tot dag 9 larve, vanaf dag 10 verpopping tot ontpopping op dag 21). Werksters leven 5-7 weken tijdens de lente-zomer en 6 maanden tijdens de herfst-winter. De darren worden geboren na 24 dagen (eerste 3 dagen ei, daarna tot dag 9 larve, vanaf dag 10 verpopping tot ontpopping op dag 24). Zij leven 3 maanden of tot aan hun paringsvlucht. 

    Om 1 kg honing te verkrijgen is er 4 kg nectar nodig. Dit komt overeen met 1000-den vluchten of zo’n 40.000 km vliegen.  Eén werkster verzamelt gedurende het drachtseizoen 7g honing. Tien gram honing vraagt 400 vluchten en voor 1 eetlepel honing zijn 4000 bezoekjes aan bloemen nodig. Er zijn ‘bezige bijen’ in en om het voedselbos.

    Zoals eerder al vermeld, is water een belangrijke factor. Water in de bodem, een waterbron in de buurt, maar ook regenwater dat soms bijna de hele tuin blank zet of in de zomer te lang op zich laat wachten.

    Droogte, alweer. We hadden er vanaf het eerste jaar al mee te maken. De zomer van 2018 was verschrikkelijk droog voor al die jonge bomen. Het was voor deze bomen extra moeilijk in deze extreme weersomstandigheden door hun beperkt wortelgestel waardoor zij nog heel weinig water konden oppompen, ook door het nog schrale bodemleven en de op sommige plaatsen zeer verdichte grond.

    Hoe hebben we het aangepakt? Vanaf het begin hebben we rond iedere aanplant karton met mulch/gemaaid gras gelegd. Het aanwezige gras werd onderdrukt door het karton, en samen met de houtsnippers en het gemaaid gras dat boven het karton werd gelegd, kwam de compostering op gang en kon het vocht langer vastgehouden worden.

    Om de 2 weken reden we met een aanhangwagen met UBC-container van boom tot boom om minstens 3 gieters water per boom te geven. We dachten iedere keer dat het nadien niet meer nodig zou zijn… Als we dit niet hadden gedaan, weet ik niet hoeveel bomen het zouden hebben overleefd. Met deze aanpak hebben we zo goed als geen schade gehad.

    Wij zijn steeds organisch materiaal blijven aanvullen, bij de nieuwe aanplantingen maar ook bij de 2 jaar oude bomen en planten. Hierbij hebben we steeds de bedoeling om het bodemleven op gang te trekken, het vocht beter vast te houden en daardoor ook een goede opname van water en voedingsstoffen mogelijk te maken. Als de bodem goed verzorgd wordt, gebeurt er zoveel. Als je in de mulch woelt, sta je versteld van al dat leven dat je vindt. En dan is er ook nog zoveel onzichtbaar leven  (zie het boek: Bodemvoedselweb, een heel tof boek waarin deze mechaniek uitgelegd wordt).

    In de eerste 2 jaren hebben we veel organisch materiaal aangebracht. Dit wordt nu steeds minder nodig, omdat we nu van de groter wordende bomen en struiken zelf kunnen beginnen oogsten en dit kunnen gebruiken als mulch. Dit doen we bv. met de bladeren van smeerwortel. Deze plant maakt met zijn wortels de grond los, de bladeren worden gemaaid en rond de bomen gelegd. Ook de bladeren van bomen en struiken die in de herfst afvallen, voeden telkens opnieuw de bodem. Nog een voorbeeld zijn de brandnetels die we maaien voor ze in het zaad staan en rond de stam van de fruitbomen leggen. Dat zijn echt voedselbommen. Sommige bomen en planten gaan mijnen in de diepere lagen van de grond en brengen zo belangrijke mineralen naar boven die ze ter beschikking stellen van de naburige bomen en planten. De gelaagdheid zorgt voor een biotoop voor vogels die op hun beurt voor mest zorgen. Zo zijn we op weg naar een kringloopsysteem in ons voedselbos.

    De bomen geven schaduw. Heel veel zon is fijn voor een aantal zuiderse teelten zoals bv. vijgen, nectarines, amandel, kiwi… Schaduw kan een heel grote troef zijn. Je haalt de extremen eruit. Het is niet te nat en niet te droog. Eigenlijk is een bos/bosrand een heel grote buffer.

    Nu is de prille biotoop nog heel kwetsbaar. We maken ons wat zorgen over de steeds toenemende droogte en de hogere temperaturen van de afgelopen jaren en hoe dit verder gaat evolueren. Het is soms frustrerend omdat er al meer dan 40 jaar voor gewaarschuwd is en men eigenlijk weet wat er te doen staat. ‘Er is geen draagvlak voor gepaste maatregelen’ zegt men dan… . Het ontbreekt vaak aan een langetermijnvisie o.a. voor klimaatbeleid.
    Deze week hangen we een tiental nestkasten op in De Zoetenhof. Vooral nestgelegenheden voor koolmezen en pimpelmezen, zo geven we hen de kans om hun populaties serieus uit te breiden en de rupsen in bedwang te houden op o.a. de jonge fruitboompjes.

    In tegenstelling tot de conventionele land-, tuin- en bosbouw hanteren we in het voedselbos vooral het ‘met-de-natuur-meewerken’ principe. Het is fantastisch om te vergelijken met een moestuinier of een bio-boer die zijn akker klaarmaakt en die gaat inzaaien om dan enkele weken later bv. een slaatje te oogsten. Wat moet hij het jaar daarop doen? Hetzelfde. Sommigen gaan eerst spuiten, spitten, ploegen, bemesten,… . Dit blijft veel input vragen. Je blijft in een bepaalde fase hangen.

    Een voedselbos is heel geconcentreerd. Het is een volledig nagebootste natuurlijke bosrand, volledig gebaseerd op dezelfde principes. Dat systeem werkt!

    De meeste voedselbossen die ik ken, zijn eerder romantische versies. Als je  op grotere schaal wil werken en oogsten, heb je  een vorm van mechanisatie nodig. Dit zou in ons voedselbos knap lastig zijn.  

    Op termijn heb je hier misschien 500 soorten planten en ze staan allemaal door elkaar. Als ik hier vraag aan vrijwilligers om een pakketje lindebladeren of wat warmoes te gaan halen, zijn ze een hele tijd zoet om hiernaar op zoek te gaan. Dit is natuurlijk niet handig. In Nederland zijn nu verschillende projecten uitgewerkt om op grotere schaal het systeem van gelaagdheid toe te passen. Dit systeem kopiëren en proberen ingang te doen vinden in de landbouw, dat is de droom van veel voedselbosbeheerders.

    Stel je stroken van gelaagdheid van 20 meter breed en 100 meter lang voor, met daartussen 20 meter biodynamische akker, weiland en dieren als overgang. Daarin kan je niet verdwalen! Wat krijg je dan? Eigenlijk iets dat we kwijt gespeeld zijn in Vlaanderen. Je krijgt interactie tussen de houtwal, het bos en het landbouwstuk. Nu is het óf bos óf landbouw óf weiland: eigenlijk zijn dat bijna woestijnen zonder die interactie.

    Dat er grote voordelen zijn voor ons klimaat en dat er een enorme toename is van de biodiversiteit, staat vast.  Maar er zijn initiatieven die willen aantonen dat dit systeem op termijn meer zou kunnen opbrengen dan de klassieke landbouw. Men experimenteert met het kopiëren van dit systeem naar de landbouw. Om een landbouwer te overtuigen, moet je cijfers hebben… . Landbouwers zien al gauw dat je een periode van 5 tot 10 jaar moet kunnen overbruggen en de meeste landbouwers hebben die luxe niet. Dat is de grootste hinderpaal van dit systeem. Het kortetermijndenken en het economische primeren. Maar in de klassieke landbouw kan het ook zo niet verder. Er zal iets in beweging moeten komen.

    In een voedselbos heb je veel werk in het begin, maar in de loop van de jaren vergt het steeds minder tijd en brengt het altijd maar meer op. Op lange termijn is er bijna geen input meer. Je energie investeren maar niet voortdurend, dat is een heel groot verschil met onze klassieke landbouw. 

    Bomen kunnen insecten herkennen, temperatuurschommelingen onthouden, voedingsstoffen delen en met elkaar communiceren. Bomen pompen mineralen en water op en het snoeisel kan je gebruiken om te mulchen. In de klassieke landbouw wordt de grond uitgeput en de mineralen en sporenelementen verminderen ieder jaar. In plaats van voedselrijke groenten krijgen we altijd maar meer ‘vulling’ op ons bord. Het kan ook anders: groenten boordevol mineralen en voedingsstoffen bv.

    Er zijn landbouwers die er het nut van inzien en het een kans willen geven. Alleen is voor velen de termijn tussen aanleg en opbrengst veel te lang. Daar zitten we echt met een probleem. Hoe kunnen we dat overbruggen? Landbouwers hebben van in het begin al planten nodig die iets opbrengen om het hoofd boven water te kunnen houden.

    Misschien moeten we het gewoon proberen en uitzoeken welke planten het hier goed doen: grootvruchtige soorten, eetbare knollen en bladeren? Het is voor landbouwers zeker niet gemakkelijk, want alles is heel snel geëvolueerd. Europa heeft een toenemende schaalvergroting erg gestimuleerd, onder meer door ruilverkaveling. Veel grachten, natuurlijke hagen en poelen zijn verloren gegaan. Als het principe van één natuurlijke bosrand per x aantal ha zou worden toegepast, zou dit alleen al voor de biodiversiteit heel veel betekenen. Met voldoende ondersteuning en misschien ook meer lokale afzetmogelijkheden voor de landbouwers, zou iedereen hier wel bij kunnen varen. Misschien is dit toch echt het proberen waard? Misschien moeten we klein beginnen?